|
Na 3 uur in de rij staan, 8 uur vliegen, 5 uur levenloos op een bankje hangen op Washington Airport en nogmaals 2 uur vliegen, ben ik eindelijk in Miami. En waarschijnlijk vonden de goden dat ik nog niet genoeg gestraft was met al dat gewacht, want bij aankomst werd ik, in een tropische stad waar het altijd bloedheet is, getrakteerd op een enorme regenbui. Niet bij de pakken neerzitten - het wordt vanzelf lekker weer. En dat werd het ook! Heel lekker weer! Goddelijk warm! Bloedstollend heet! Zo heet, dat je bijna hoopt dat het weer gaat regenen.
Eindelijk lig ik op een strandbed met in de ene hand een cocktail en in de andere hand een goed boek. Ik heb dit jaar de toepasselijke titel: De Kunst van het niks doen, uitgekozen. Ik wist niet dat niks doen ook een kunst was, maar ik ben blij het te weten, want nu kan ik 'kunstenaar' aan mijn cv toevoegen. Het werd me alleen wel erg moeilijk gemaakt om mijn kunstvorm uit te oefenen, want terwijl ik net in mijn eerste zin zat, kwam er een dame van Aziatische afkomst op mijn strandbed zitten die me voor 30 dollar een heerlijke voetmassage kon geven. Ze laat op een vies verkleurd papiertje zien welke drukpunten ik allemaal in mijn voeten heb zitten. Maar aangezien ik sokken aantrekken al kietelen vind, zit ik zeker niet op een massage van een kwartier te wachten. Na een discussie van een halfuur en nadat ik alle foto’s van haar kinderen gezien heb, geeft ze het op. En net terwijl ik bij mijn tweede zin ben, hoor ik achter me: ‘fawaka’. Ik kijk om - het is een enorme zwarte man met kraaltjes. ‘Gemaakt door mijn kinderen’, vertelde hij, zonder me onder druk te willen zetten, er even bij. 10 dollar per stuk, en als ik er gelijk 3 nam, kreeg ik er één gratis. En terwijl hij prima Engels sprak, begreep hij ‘no thank you’ toch niet zo goed. Ik hoor hem nog net mompelen ‘kijkuh, kijkuh, niet kopen’, maar mijn aandacht zit alweer bij mijn boek totdat de volgende zwerver bij m'n bed staat. Na handdoeken, horloges, zonnebrillen, ijsjes, tapijten, drankjes, uit hout gesneden beeldjes en flyers van restaurants gezien te hebben, begin ik me af te vragen waar ik de tijd vandaan moet halen om niks te doen. Het valt me nog mee dat er geen Jehova’s Getuigen op het strand rondlopen. Waarschijnlijk omdat ze nergens hun voet tussen kunnen zetten?
Ik vind het strand fijn. Mijn vriendin en ik zijn echt strandmensen. Heerlijk horizontaal met je gezicht in de zon, met als achtergrondmuziek de kabbelende zee en de geur van vrijheid in je neuseerlijk . Af en toe een lading zand in je gezicht omdat er iemand met slippers voorbij komt rennen, jankende kinderen, vijf verschillende soorten muziek, voetballen tegen je kop en steeds dat irritante geluid van de plastic balletjes op van die houten tennisrackets - je neemt het gewoon op de koop toe. Het hoort er allemaal bij. Want dat is de basis van vrijheid. Doen en laten waar je zelf zin in hebt. En dat doet dan ook iedereen!
En als de zonnebrandcrème bijna op is, elk kledingstuk inmiddels al twee keer is gedragen, mijn boek is uitgelezen en ik echt weer zin heb in mijn eigen bed, dan wordt het tijd om weer aan de terugreis te beginnen. En ondanks de fantastische ontspannen weken van vrijheid ben ik, als ik één voet buiten het vliegtuig zet in ons koude kikkerlandje, de hele vakantie alweer vergeten. Zeker na een paar dagen werken lijkt de vakantie alweer een eeuwigheid geleden. Het enige wat mij nog voortdurend aan de vakantie doet terugdenken is: mijn bankrekening. |